Alternatief voor centenindex moet loonkosten minder grillig maken
De sociale partners schuiven een alternatief voor centenindex naar voren dat vanaf april en juni 2026 twee ingrepen in de indexberekening invoert. Volgens het akkoord binnen de Groep van Tien moet dat de impact van energieprijzen op de loonindexering afremmen, zonder het principe van de automatische loonindexering los te laten. Voor ondernemingen zou dat vooral meer voorspelbaarheid brengen. Voor werknemers blijft het systeem van indexering overeind.
De eerste wijziging gaat in vanaf april 2026. Dan wordt voor de loonindexering gewerkt met een twaalfmaandelijks gemiddelde van de energie-inflatie. Vanaf juni 2026 volgt een tweede stap: dan tellen niet alleen nieuwe energiecontracten mee in de berekening, maar alle energiecontracten. Volgens de sociale partners geeft dat een correcter beeld van wat gezinnen werkelijk betalen.
Bart Buysse, gedelegeerd bestuurder van UNIZO, noemt de voorgestelde koers eenvoudiger en structureler dan de centenindex. Hij wijst erop dat de centenindex voor brutolonen boven 4.000 euro volgens hem erg ingewikkeld is en op langere termijn zelfs extra kosten voor werkgevers kon meebrengen via bijdragen voor de sociale zekerheid. Ook stelt hij dat de impact van die centenindex niet automatisch geneutraliseerd wordt in de berekening van de loonmarge.
Twee ingrepen in de indexberekening
Het alternatief voor centenindex steunt op twee concrete aanpassingen. Eerst komt er een afvlakking van de inflatie van elektriciteits- en aardgasprijzen over twaalf maanden. Vandaag werken plotse stijgingen van energieprijzen rechtstreeks door in de loonkosten. Volgens UNIZO bleek tijdens de energiecrisis van vier jaar geleden hoe moeilijk bedrijven zulke schokken kunnen opvangen.
Door prijspieken over een langere periode te spreiden, zou de index minder heftig reageren. Dat moet zowel pieken naar boven als schommelingen naar beneden dempen. Voor werkgevers betekent dat volgens de indieners meer ademruimte en minder abrupte stijgingen van de loonkost.
De tweede aanpassing mikt op de manier waarop energieprijzen vandaag in de index terechtkomen. Nu wordt enkel gekeken naar de prijzen van nieuwe contracten. In een periode van energie-inflatie liggen die doorgaans hoger. Maar veel gezinnen zitten nog in lopende contracten met lagere tarieven. Door ook die contracten mee te nemen, zou de berekening dichter aansluiten bij de praktijk.
Volgens Buysse moet dat zorgen voor een eerlijker meting van de werkelijke energiekosten. In zijn woorden kiest men ervoor om net die elementen aan te passen die de index vandaag vertekenen.
Breder dan de centenindex
Het verschil met de centenindex zit volgens de tekst in de reikwijdte. De centenindex geldt enkel voor brutolonen boven 4.000 euro, en dan nog alleen voor het deel boven die grens. Het voorgestelde alternatief voor centenindex grijpt volgens de sociale partners in op het systeem zelf. Daardoor zou het effect gelden voor alle lonen, alle werknemers en alle sectoren.
UNIZO benadrukt dat net dat punt belangrijk is voor kmo’s. In de tekst staat dat een tijdelijk voordeel niet mag uitmonden in een blijvende kost. Voor kleine en middelgrote ondernemingen, die volgens Buysse vandaag elke euro moeten omdraaien, is duidelijkheid op langere termijn volgens hem cruciaal.
De organisaties plaatsen hun voorstel ook nadrukkelijk in het bredere debat over competitiviteit en werkgelegenheid. Een geleidelijkere index, gekoppeld aan de evolutie van energieprijzen, moet volgens hen vermijden dat er opnieuw een grote loonkostenhandicap ontstaat die later met jarenlange loonmatiging moet worden weggewerkt.
Automatische indexering blijft overeind
Tegelijk maken de sociale partners duidelijk dat het akkoord niet raakt aan het principe van automatische loonindexering. Ook de loonnormwet blijft behouden. Het bredere debat daarover loopt nog verder tussen de sociale partners en moet volgens de tekst tegen het einde van het derde kwartaal van 2026 afgerond zijn. Dat is vroeger dan de deadline die de federale regering had gelegd op eind 2026.
In het akkoord vragen de partners ook expliciet om het sociaal energietarief te behouden zoals het vandaag bestaat. Daarmee willen ze volgens de tekst het evenwicht bewaren tussen economische haalbaarheid en sociale bescherming.
De oproep aan de regering is duidelijk: snel beslissen. Volgens Buysse zorgt uitstel ervoor dat ondernemingen blijven zitten met onvoorspelbare kosten, terwijl werknemers in onzekerheid blijven over wat volgt. Net daarom vragen de sociale partners snelle goedkeuring, opvolging en uitvoering van hun akkoord.
